Stap van Hazenkamp is mede gevolg van nationaal beleid

Stap van Hazenkamp is mede gevolg van nationaal beleid

Het bericht dat de Hazenkamp afscheid neemt van topsporters Mara Titarsolej en Maartje Wurkum kwam voor velen als een donderslag bij heldere hemel. Het is logisch dat beide sporters enorm teleurgesteld zijn en hun emoties uiten. Mara schreef zelfs dat ze de dupe is van een groter plan. En dat klopt. Er zijn inderdaad veel aspecten die tot het besluit hebben geleid. 

 
Wereldniveau
Een aantal maanden terug schreven we al dat de Hazenkamp nieuw beleid ontwikkelt om met haar senioren weer aan te haken op nationaal niveau. En let wel, het niveau van de Nederlandse dames is in de loop der jaren inmiddels wereldniveau geworden. De club is mede in overleg met de KNGU / afdeling topsport een weg ingeslagen om weer een club van nationaal belang te worden.

 In die lijn moet ook de aanstelling van Tara Duncanson als hoofdcoach in Nijmegen worden gezien. Verder speelt mee dat de club haar RTC-status moest inleveren. Voor de club geen verrassing meer, maar ze loopt hierdoor wel inkomsten mis. Dit laatste is het gevolg van het toekomstige nationale topsportbeleid. Want aan die infrastructuur gaat de komende jaren het nodige veranderen.

Tel daarbij nog eens op de verhuizing van de Hazenkamp naar een veel duurder SportQube en het wordt duidelijk dat de club tijdelijk een spannende exploitatie heeft. Daar komt dan geheel onverwacht de coronacrisis overheen en dus is de club genoodzaakt om de herstructurering – waarmee ze de aansluiting bij de nationale top hoopt te bereiken – eerder door te voeren. Er wordt  dan ook binnen alle geledingen van de club ingegrepen. Voorzitter Berendsen van de Hazenkamp wil zich echter niet verschuilen achter de KNGU; ´Al die ingrepen gaan ons ook zeer aan het hart. Ja, natuurlijk spreken we over de situatie van onze topsport met de bond, maar het is uiteindelijk ons besluit´, geeft hij aan. Ook de betrokken bestuurders en coaches hebben dit besluit niet zo maar en niet zonder emoties genomen.

Titarsolej
Kijk je naar de twee senior turnsters die hierbij betrokken zijn, Maartje Wurkum en Mara Titarsolej, dan is de situatie voor de laatstgenoemde nog het meest vervelend. Een turnster die enkele jaren geleden gold als een van de pareltjes van het Nederlandse turnen. Mara Titarsolej maakte in Glasgow nog deel uit van het team dat het Olympisch ticket voor Rio 2016 afdwong. Daarna is ze drie jaar lang geconfronteerd met blessures en heeft ze de belofte als Oranje topper tot nu toe helaas nog niet kunnen inlossen.

Dit jaar is Titarsolej wederom bezig aan een comeback. Maar kan zo’n turnster nog aanhaken bij het huidige Oranje niveau? De trainingssituatie is voor haar niet ideaal in Nijmegen. Twee senioren die ieder een geheel ander traject bewandelen naast een groep met junioren die elk ook weer een geheel andere opbouw vragen. Dat reduceert de kansen op een succesvolle comeback in Oranje. Om de kans daarop te vergroten zou ze wellicht meer gebaat zijn bij een trainingssituatie met meerdere senioren die al in het Oranje traject zitten. .

De vergelijking van de verhuizing van Sanne en Lieke Wevers in het verleden van Almelo naar Heerenveen dringt zich op. Het talent van Sanne Wevers kwam pas in de nieuwe situatie in Heerenveen tot volle bloei. En ook Naomi Visser maakt zo’n ontwikkeling door. Maar deze bespiegelingen zijn inmiddels al achterhaald door een verrassend besluit van Mara. Ze gaat studeren en turnen in Amerika aan de Long Island University in New York! Meer hierover is te lezen in het komende online-magazine van Turnsupporter.

NOC*NSF
In Nederland begint topsport bij NOC*NSF. Binnen NOC*NSF geldt voor de topsport eigenlijk maar één norm: medaillekansen en behaalde medailles. Onder meer daaraan wordt afgemeten welke sportbonden subsidie krijgen. Alle sportbonden hebben het principe van top-10 wereldpositie omarmd. En dat is de Nederlandse turnsters gelukt. Om de top van de wereld te bestormen hanteert men binnen NOC*NSF het credo “Beste sporter, beste coaches, beste faciliteiten, één locatie.”

Dit uitgangspunt moet er voor zorgen dat talenten zo snel mogelijk in optimale trainingsomstandigheden komen waardoor de kans op succes het grootst is. Vanuit die gedachte streeft NOC*NSF ook zo veel mogelijk naar centralisatie van de topsporters en coaches in één optimaal trainingscentrum. Maar het Nederlandse topturnen heeft de afgelopen decennia juist bewezen decentraal in combinatie met centrale trainingen te excelleren. Zonder de samenwerking tussen de topsportclubs zoals dat nu werkt, waren de Nederlandse dames en ook de heren nooit op het niveau gekomen waar ze nu staan. Door dit succes én omdat in de turnsport gewerkt wordt met heel jonge mensen,  kijkt de overkoepelende organisatie dus genuanceerder naar de KNGU.

Ambitie KNGU
Binnen de topsporttak van de KNGU heeft men echter zo haar ambities. De nationale dames prijken inmiddels op plaats acht van de wereldranglijst. Een topprestatie van iedereen die hierbij betrokken is. Maar topsport zou geen topsport zijn als je niet meer wilt bereiken. Dus kwam de vraag op tafel “Hoe verbeteren we dit? Hoe worden we over vier of acht jaar nummer vijf van de wereld?”. Het zal duidelijk zijn dat je met een team dat vijfde van de wereld is ook meer medaillekansen hebt dan vanaf plaats acht.

Er is vervolgens zo’n twee jaar nagedacht over hoe we in Nederland nog beter het talent bij de beste coach krijgen met de beste trainings- faciliteiten. Dan komt ook de vraag op tafel of je nog centraler moet gaan trainen? 

Dit wordt overigens nu ook al vaak gedaan. De Oranjeselectie traint geregeld samen op één locatie. NOC*NSF steunt de gedachten van de turnbond. ‘Natuurlijk praten we met NOC*NSF over de financiering van onze programma’s om medailles te halen’, zegt technisch directeur van de KNGU,  Mark Meijer.

Samenwerking
In Beekbergen herinneren ze zich gelukkig goed dat het nationale trainingscentrum in Papendal voor het turnen uiteindelijk niet zo’n succes is gebleken. Men vindt het bovendien pedagogisch niet verantwoord om heel jonge kinderen onder te brengen in gastgezinnen. ‘Dat willen we ook niet. We streven naar aansluiting bij de CTO omgeving. Ook zij gaan uit van een goed pedagogisch prestatieklimaat wat past bij onze ambitie. CTO’s ondersteunen de fulltime training programma’s van onze sporters zowel sportinhoudelijk en maatschappelijk, vervolgt Meijer. De overstap naar een TeamNL centrum (hierover verder meer) zal zo rond de overgang van junior naar senior zijn. Pakweg vanaf 14 jaar of ouder. Dit kan dan deels in een gastgezin zijn. Mark Meijer voegt daar nog aan toe; ‘Als je talentvol bent, blijft dit maatwerk.’

De huidige situatie
De Nederlandse dames kennen één nationaal trainingscentrum NTC: Heerenveen. Ongelukkig decentraal in het land. Maar dankzij een aantal sterke organisaties aldaar zal het daar voorlopig wel blijven. Daarnaast zijn er 4 RTC’s (Regionale Trainingscentra); Amsterdam, Hoofddorp, ‘s-Hertogenbosch en Nijmegen. Vervolgens nog 4 Talent Opleidingscentra (TOC’s); Almelo, Haarlem, Utrecht en Zoetermeer. En tot slot zijn er dan nog de vijf CTO’s (Centrum voor Topsport en Onderwijs) in Amsterdam, Eindhoven /Den Bosch (Zuid), Heerenveen (Noord)Papendal en in de metropool Den Haag-Rotterdam-Dordrecht. Die hebben overigens niet allemaal een relatie met turnen.

Verbeterslag
Vanuit de KNGU-ambitie om te streven naar plaats vijf op de wereldranglijst en zo de medaillekansen te vergroten, is de afgelopen twee jaar gewerkt aan het plan “Verbeterslag van het Nederlands dames turnen”. Dit plan is ingebracht in het topsportoverleg met de betrokken clubs. Het is zo goed als klaar, maar de afspraken (randvoorwaarden en financiële consequenties) tussen alle betrokken partijen staan nog niet allemaal op papier. Meijer legt uit; ‘De positie van alle partners zijn duidelijk. Het gaat nu om maatwerkafspraken vastleggen. Maatwerk voor Amsterdam, Nijmegen en Almelo.  De huidige lichting senioren kan overigens blijven trainen bij hun huidige club. In de komende cyclus wordt de adviesrol van de bondscoach nadrukkelijker leidend en voorwaardelijk in de opleiding van talent. Uitgangspunt hierbij is de logische lijn van club naar een DutchGymnastic opleidingscentrum naar TeamNL Topsportcentrum.’

 

In de praktijk wordt het plan al uitgerold. Dat hebben de Hazenkamp en ook Turnz Amsterdam inmiddels al ondervonden. Die zijn hun RTC-status en bijbehorende financiële ondersteuning inmiddels kwijtgeraakt. Dat is voor Turnz best vreemd, want zij hebben bijgedragen aan de opleiding van Noël van Klaveren en Vera van Pol en Sanna Veerman traint er nog steeds. Bovendien sluit Turnz naadloos aan bij het CTO aldaar. Het ontbreekt de Amsterdammers echter aan een topsport herentak. Iets dat volgens de plannen wel bij een topsportcentrum hoort. De technisch directeur zegt hierover; ‘We hebben om meerdere redenen een afweging gemaakt voor erkenning van een TeamNL Topsportcentrum. We wilde een locatie in het Westen, geen spreiding van financiële middelen en we kunnen maar één centrum aansluiten bij een CTO. Dan streven we inderdaad naar zowel een mannen- en vrouwenprogramma op één plek in verband met efficiëntie. Daarom streven we naar aansluiting van Hoofddorp bij CTO Amsterdam net zoals ‘s-Hertogenbosch bij CTO Zuid.’

Nieuwe structuur
Om de ambitie te realiseren, de medaillekansen te vergroten én in de toekomst ook voldoende nieuwe talenten én topsportcoaches te hebben komt er een nieuwe infrastructuur. Die is gebaseerd op drie trainingscentra waar volledig topsport wordt bedreven. 
Het nationale trainingscentrum in Heerenveen staat niet ter discussie. Dat blijft de komende 8 jaar daar. Daarnaast blijven er nog twee andere topsportcentra over; Hoofddorp en ’s-Hertogenbosch. 

Deze drie topsportcentra krijgen de naam “TeamNL Topsportcentrum”. Dit past ook wel bij het streven van NOC*NSF om het merk TeamNL meer te laden. Alle andere locaties worden opleidingscentra waarschijnlijk met de naam DutchGymnastic opleidingscentrum.De keus voor Hoofddorp t.o.v. Amsterdam is best opmerkelijk, maar nadrukkelijk afgewogen en het ontbreken van een CTO voor Hoofddorp wordt opgelost door Hoofddorp aan te laten sluiten bij het CTO in Amsterdam. 

Risico’s
Al met al klinkt het ambitieuze plan niet onlogisch, maar zoals elk plan, is het niet zonder risico’s. En de vraag is of de KNGU met dit plan over 8 jaar zichzelf tegen komt en de benodigde instroom van voldoende nieuwe talenten ontbreekt om zich op wereldniveau te kunnen handhaven. Dat is voor ons kleine land sowieso al een kunst op zichzelf, waarbij de huidige infrastructuur en samenwerking langzaam maar zeker zorgt voor verbreding van de basis voor nieuwe talenten.

Met de nieuwe voorgestelde structuur krijg je te maken met onder meer de volgende risico’s;

A)
Pedagogisch gezien is het niet wenselijk voor jonge sporters en hun ouders om langer dan 30 tot 45 minuten naar een trainingshal te moeten rijden. De stap naar gastgezinnen zetten we al helemaal in de ijskast. Op de bijgaande kaart zijn die reistijden met cirkels aangeven. Het oosten van het land is een grote witte vlek. Daar zit overigens ook geen CTO. Terwijl het wel een regio is die in het verleden de nodige talenten heeft opgeleverd.

B)
Nederland beschikt nu over meerdere goede trainers die capabel zijn om sporters af te leveren van wereldniveau. Door nu de keus te beperken mag je jezelf afvragen wat er gebeurt met de motivatie van de trainers die buiten de boot vallen. Gaan die nog steeds hun hele leven in het teken van opleiden zetten, in de wetenschap dat ze talenten op enige moment als tiener moeten laten doorstromen naar een TeamNL Topsportcentrum.

Haal je hiermee de ambitie bij die clubs niet weg? Meijer heeft zijn antwoord klaar; ‘Juist om die reden zijn we in gesprek met NOC*NSF om het vak van talentcoach meer lading te geven. Die zijn heel belangrijk in het geheel. Die moet je dan ook een volwaardige baan aan kunnen bieden met toekomstperspectief’. Dus nog meer vakmatige inhoud én erkenning geven aan het vak talentcoach.

C)
Er zal in Nederland ook gewerkt moeten worden aan een nieuwe lichting topcoaches. De huidige lichting zwaait binnen 10 tot 15 jaar af. Dan moeten er de nodige nieuwe topcoaches klaarstaan. Nu worden die op meerdere plekken opgeleid en verdienen ze een bestaan. Ga je jezelf niet te veel beperken nu? Hier komt Meijer weer terug met het laden van het vak talentcoach. Hij wil niet alleen investeren in de topcoaches maar juist ook in de talentcoaches. Dat moet een kwaliteitsimpuls en doorstroming van talentcoach naar topcoach opleveren.

D)
De afgelopen jaren is er hard gewerkt om de trainers van alle clubs te laten samenwerken. En met succes mag worden gezegd. Door de infrastructuur en financiële structuur fiks op zijn kop te gooien kan er onvrede ontstaan op bestuurlijk niveau bij de huidige topsportclubs.

Conclusie
Het stoppen van De Hazenkamp met Maartje en Mara is een keus van de club uit Nijmegen. Ingegeven door veel aspecten. Het grotere plan zoals Mara schrijft is er hiervan slechts één. Het ambitieuze verbeterplan voor de Nederlandse dames klinkt in beginsel niet onlogisch, maar brengt risico’s met zich mee en in het Oosten van het land vertoont het een grote witte vlek. Het vraagt er om, de resultaten goed te monitoren. Alleen dan voorkom je dat je er over 8 jaar achter komt dat de instroom van talenten of coaches door de nieuwe infrastructuur is opgedroogd. Want als dat het geval zou zijn, dan gaat ook de financiële stroom van NOC*NSF aan je voorbij en ben je terug bij af: daar waar dan 10-15 jaar geleden is gestart met bouwen.